Luc Lambrecht 'Fictieve nabijheid'

De galerie van Kunstencentrum Netwerk in Aalst zorgt nog maar eens voor een tentoonstelling die aantoont dat onze jonge garde beeldende kunstenaars klaar staat.

Het werk van Hendrik Vermeulen (1965) viel al eerder op dit jaar bij groepstentoonstellingen in Knokke en Kortrijk. Vermeulen maakt werk dat verrassend op de grens ligt van vervreemding en herkenning. Zijn tekeningen verraden een duaal denken dat gevoed wordt door minimale verwijzingen, gekombineerd met plastische uitwassen. De bezoeker wordt in de tentoonstellingsruimte binnengeleid via een zwartgeschilderd sas waarbij men onmiddellijk oog in oog komt te staan met het verblindende licht van een krachtige lamp. Eens dit sas voorbij stapt men in de skulpturale wereld van Vermeulen, ‘bevolkt’ met minimale skulpturen die een maximum aan vrijheid en interpretaties toelaten. In de benedenruimte van Netwerk valt vooral een monumentale wandskulptuur op die begrippen als ‘binnen’ en ‘buiten’ en ‘gesloten’ en ‘open’ prachtig in zich draagt. Het intrigerende beeld van hout is bewerkt met autoplamuur dat het beeld een suggestie verschaft van massa en zwaarte. Wie wil binnengluren in de openingen van het werk komt terecht in een zwart gat. Vermeulen verleende zijn presentatie de titel Trechters en Onlijvigen. In een boeiend verhaal waarin de kunstenaar ingaat op de aktuele ‘weerstand tussen fictie en realiteit’, wordt verwezen naar het klassieke Griekse ideogram van de tartaros. Dit is een chaotische plek, een bron waaruit Poros, richting en betekenis zich kunnen ontwikkelen. Het ‘onlijvige’ situeert zich bij Vermeulen in het occulte, organische domein, terwijl de ‘trechters’ een beweging van ‘binnen’ naar ‘buiten’ suggereren.

Het ligt misschien allemaal een beetje zwaar op de maag, maar de manier waarop Vermeulen hier een stroom van verkwikkende ideeën laat stollen in skulpturen en in een betreedbare installatie, getuigt van een perfect beeldend aanvoelen ten einde de blik mee te voeren naar een punt van vermeende herkenbaarheid en nabijheid. Juist het begrip ‘nabijheid’, volgens Vermeulen op een valse manier opgeroepen via de meest geavanceerde communicatiemiddelen, wordt in zijn praktijk visueel én tastbaar. In de muur zijn bijvoorbeeld kleine in inbouwluiken gemonteerd met grijpklare bakjes die als het ware iets in petto houden dat behoort tot de andere kant van de muur. De bakjes met handvat, die er helemaal niet uitzien als skulptuur, blijven muurvaste raadsels, decors die hooguit demenselijke nieuwgierigheid aansporen om de inhoud ervan te ontdekken. Andere skulpturen met hellend vlak worden in hun prachtige vorm verstoord door organische, quasi ‘amfische’ uitsteeksels, als waren het ongekende dierlijke wezentjes die de rationele, georganiseerde en tegelijk gestandaardiseerde (kunst)vorm aantasten en /of besmetten. Het subtiel gepigmenteerde autoplamuuur wordt hier de perfekte neutrale aankleding voor een reeks skulpturen die flatteren maar ook verontrusten.

[tekst verschenen in De Morgen, 10 oktober 1996]